Vogels in de tuin – deel 2

  1. Zanglijster – Turdus philomelos

    LijsterBeschrijving

    Veldkenmerken. 23 cm. Kleiner dan Merel, veel kleiner dan Grote Lijster. Bovendelen grijsbruin, borst goudgeel met veel ronde zwarte vlekken, die tot op flanken doorlopen; buik wit. Heeft geen wenkbrauwstreep als KoperwiekStaart korter dan van Merel en rechter afgesneden, zonder de witte punten aan buitenste pennen van Grote Lijster. Ondervleugel geel, niet oranje zoals bij Koperwiek. Juveniel lijkt op adult, maar bovendelen met lichte streepjes en vlekjes. Zingt meestal in hooggelegen zangpost, zoals boomtop. Vlucht iets golvend. Schuwer dan Merel, ook broedvogels van steden.
    Geluid. Roep lijkt op die van Koperwiek, maar eindigt abrupt: ’tsiek’. Zang luid met voortdurend herhaalde strofen.
    Voorkomen. Zeer algemeen, maar neemt plaatselijk in aantal af.
    Habitat. Heeft combinatie nodig van hoge bomen, ondergroei in vorm van bosjes, open plekken, velden en bosranden. Komt ook, zij het minder talrijk, in naaldbos voor.
    Voedsel. Hoofdzakelijk ongewervelden, eet in herfst en winter ook vruchten. Fourageert voornamelijk op de grond, soms in open gebieden, maar meestal onder of zeer nabij dekking. Staat bekend vanwege gewoonte huisjesslakken te vangen en deze kapot te smijten op steeds dezelfde steen.

    Gezien in de jaren:

    2002, 2003, 2004, 2006

  2. Grote Lijster – Turdus viscivorus

    BeschrijvingGrotelijster

    Veldkenmerken. 27 cm. Iets groter en zwaarder dan Kramsvogel. Veel groter danZanglijster, waar hij overigens veel op lijkt. Bovendelen grijzer, kouder van kleur dan Zanglijster; onderdelen witter en borst eerder beige dan goudkleurig, met op borst maar ook op buik scherp getekende ronde zwarte vlekken. Witte ondervleugels en witte punten aan buitenste staartpennenJuveniel met gele lengtestreepjes op bovendelen. Staat nog rechter op dan Zanglijster. Schuw, evenals meeste andere lijsters. Vlucht krachtig, als van Kramsvogel, maar schiet langer door met geslotenvleugels. Heeft kortere staart dan Kramsvogel. Buiten broedseizoen in kleine ongemengde groepen, zelden met andere lijsters.

    Geluid. Roep lange luide ratel ’rrrrrrrrr’, lijkt wel wat op roep van WinterkoningZangluid en bellend, minder gevarieerd dan van Zanglijster en met weinig herhalingen.

    Voorkomen. Vrij algemeen, maar nooit talrijk.

    Habitat. Behoeft hoog geboomte afgewisseld met weilanden nabij, zoals boomgaarden, parken, bosranden. Vermijdt in broedseizoen dicht bos of boomloze gebieden.

    VoedselOngewervelden en vooral ook bessen en andere vruchten. Fourageert op de grond in open gebieden, maar ook in bomen. Heeft in winter vaak ’eigen’ bessenstruik en verdedigt deze.

    Gezien in de jaren:

    Waarschijnlijk al eerder, maar zeker: 2006, 2007

  3. Huismus – Passer domesticus

    passerdoBeschrijving

    Veldkenmerken. 15 cm. Is in vele delen van de wereld ingevoerd en is waarschijnlijk talrijkste en best bekende vogel. Verspreiding sterker gebonden aan menselijke aanwezigheid dan van andere vogels. Mannetje heeft donkergrijze kruin, rossigbruine nek, zwarte bef tot op bovenborst, lichtgrijze oorstreek en onderdelen, warmbruine, zwartgestreepte bovendelen en vleugels, opvallende witte vleugelstreep, grijze stuiten donkerbruine staartsnavel zwart. Vrouwtje en juveniel minder uitgesproken gekleurd dan mannetje: bruine bovendelen met grijze waas en donkerbruine strepen, onderdelen eenkleurig grijs met beige teint. Mannetje in winter minder fraai gekleurd met minder duidelijke koptekening, bef kleiner en onduidelijker, snavel lichter met gele basis. Vrijwel altijd in groepen, zowel overdag als ’s nachts (gezamenlijke overnachtingsplaats). De Italiaanse ondersoort (italiae) heeft donkerder bovendelen, lichtere onderdelen en eenkleurig bruine kopkap, als Spaanse Mus.
    Geluid. Luidruchtig; roep luid ’tsjilp’ en variaties hierop.
    Voorkomen. Algemene standvogel, maar meest noordelijke populaties trekken naar dichter bevolkte gebieden in strenge winters.
    Habitat. Vrijwel uitsluitend nabij menselijke nederzettingen. Kan buiten broedseizoensoms ver van menselijke bebouwing worden aangetroffen.
    VoedselOmnivoor; fourageert op de grond. Eet allerlei soorten zaden, vruchten, kleineongewervelden en menselijk afval.

    Gezien in de jaren:

    2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2010, 2012, 2014, 2015, 2016, 2017

  4. Groenling – Carduelis chloris

    Beschrijvingcarduel3

    Veldkenmerken. 14,5 cm. Gedrongen, groene (mannetje) of bruingroene (vrouwtje)vink met vrij zware, bleke, kegelvormige snavel. Mannetje met ongestreepte, groenemantel, grijze tertials, donkere slagpennen en staart met veel geel. Vrouwtje met licht gestreepte bruine mantel en minder gele vleugels en staart. In vlucht zijn gele vleugelstreep en gele staartbasis goed zichtbaar. Juveniel bruin met weinig groen en sterk gestreept. Meestal in troepen, vaak met andere vinken. Golvende vlucht. Mannetje heeft cirkelende zangvlucht met opvallend langzame vleugelslagen.
    Geluid. Roep een heldere triller ’didididi’, ook een nasaal ’djuwie’. Zang een serie van roepen, onderbroken door een lang ’tswèèèèh’.
    Voorkomen. Algemene stand- en trekvogel.
    Habitat. Halfopen landschappen met veel bosjes en bomen, nooit in dicht bos. Veel in parken, grote tuinen, kwekerijen. Buiten broedtijd ook op akkers en braakliggende grond.
    Voedsel. Voornamelijk zaden, knoppen en vruchten, in de broedtijd ook insecten.

    Gezien in de jaren:

    2001, 2002, 2003, 2004
    Daarnaast wel altijd te horen en herkenbaar aan karakteristieke roep

  5. Putter – Carduelis carduelis

    cardueliBeschrijving

    Veldkenmerken. 12 cm. Mannetje en vrouwtje eender. Opvallende zwartgele vleugels, zwart-witte staart, helder rood-zwart-witte kop en bruine mantelJuveniel met grijs-isabelkleurige kop en onderdelen, met bruine strepen en vlekken. Golvende, dansendevlucht. Veelal in troepen. Nestelt in bomen, ver vanaf de stam, soms in heggen en bosjes.
    Geluid. Onmiskenbaar. Roep een vloeiend ’tswit-wit-wit-wit’ of ’tiedeliet’, steeds weer herhaald. Zang een kanarie-achtig gekwetter, vermengd met roep.
    Voorkomen. Vrij algemene standvogel, zomergast in noorden en oosten van het gebied.
    Habitat. Open bosgebieden, boomgaarden, parken. Heeft voorkeur voor braakliggend land met kruidenvegetatie in de buurt.
    Voedsel. Voornamelijk zaden, vooral ’s zomers ook insecten.

    Gezien in de jaren:

    2002, 2003, 2004
    Daarnaast wel regelmatig overvliegen, herkenbaar aan karakteristieke vlucht

  6. Blauwe reiger – Ardea cinerea

    Beschrijvingardeacin

    Veldkenmerken. 90-98 cm. Verschilt van andere reigers door groot formaat, grijze bovendelen, witte kop en nek, zwarte band van losse veren vanaf oog en eindigend in een puntige kuif. Onderdelen grijzig wit met wat zwart op borst en flanken. Grote gelesnavelpoten bruinachtig; snavel en poten in broedtijd roze. Juveniel met egaler grijsverenkleed en geen zwart op de kop. Staat vaak bewegingloos in water of langs waterkant, metgestrekte of ingetrokken nek. Vliegbeeld met ingetrokken kop en hals(een ronding vormend), lange, brede en ronde vleugels, en uitstekende poten.
    Geluid. Meestal een luid, schor ’rhaaa’; tijdens broedtijd en in de kolonie verschillende schreeuwende, krassende en ’kokhalzende’ geluiden.
    Voorkomen. Algemene broedvogel in kleine tot grote kolonies.
    Habitat. Nestelt meestal in bomen; bezoekt vrijwel ieder terrein met ondiep water waarvoedsel te halen is.
    Voedsel. Fourageert overdag, voornamelijk op vis, amfibieën, kleine zoogdieren, insecten en reptielen; in mindere mate ook kreeftachtigen, schelpdieren, wormen en vogels. Prooi wordt met plotseling uitschietende beweging gevangen.

    Gezien in de jaren:

    2003
    In april 2003 op ons tuinhuis op weg naar de vijver van de buren.
    Verder regelmatig in de sloot aan de achterkant van de tuin

  7. Houtduif – Columba palumbus

    houtduifBeschrijving

    Veldkenmerken. 41 cm. Grootste duif in het gebied. Zwaar gebouwd met zware, volleborstVerenkleed grijs met donkere slagpennen en donkere eindband aan staart. Gehele borst diep wijnkleurig roze. Meest opvallende kenmerken zijn witte vlekken op zijhals, afgezet met glanzend groen en roze, en de witte banden op bovenvleugels.Snavel geel, iris wit. Zit vaak op daken en in bomen. Baltsvlucht sterk golvend, waarbij met vleugels geklapt wordt. Tijdens trek en in wintervaak in grote groepen.
    Geluid. Luid en laag ’roe koeoe koe’.
    Voorkomen. Algemene standvogel, maar gedeeltelijk trekvogel in noordelijke en oostelijke streken.
    Habitat. Broedt in beboste gebieden, aan bosranden, parken en halfopen gebieden. Fourageert op open velden.
    Voedsel. Voornamelijk zaden, bessen en groene planten. Soms ook ongewervelden.

    Gezien in de jaren:

    2003, 2004, 2017
    Wel regelmatig overvliegen en in de buurt

  8. Grote bonte specht – Dendrocopos-major

    BeschrijvingGrote_Bonte_Specht_Dendrocopos-major

    Veldkenmerken. 23 cm. Zwartwitte specht, veel kleiner dan Groene Specht. Smal witvoorhoofd, zwarte kap en zwarte baardstreep, die van snavelbasis doorloopt over oorstreek tot in nek. Mannetje heeft rode achterkop. Zwarte rug met grote witte schoudervlekken, vleugels zwart met veel witte vlekken, onderstaart rood, rest van onderdelen wit. Staart zwart met witte zijden. Juveniel heeft rode in plaats van zwarte kopkap (beide sexen). Golvende vlucht.
    Geluid. Roep luid, enkel ’kik’ of ’kiek’, bij verstoring herhaald. Trommelt vaker dan andere spechten op dood hout.
    Voorkomen. Algemene standvogel.
    Habitat. Loof- en naaldbos, open boslandschap, parken, etc.
    VoedselOngewervelden, maar eet ook zaden, met name in winter, en vruchten. Fourageert zelden op de grond.

    Gezien in de jaren:

    2005
    Aan het pinda netje aan het vogelhuisje d.d. 21 april 2005

  9. Staartmees – Aegithalos caudatus

    aegithalBeschrijving

    Veldkenmerken. 14 cm. Onmiskenbaar. Kleine mees; staart neemt de helft van de totale lichaamslengte in. Kop wit met brede zwarte oogstreep, zwarte rug met roze mantelzijden, handpennen zwart en wit, lange zwarte staart met witte zijden. Onderdelen wit met roze op onderstaart tot aan potenSnavel zwart en zeer kort. Ondersoorten uit noorden en oosten missen zwart op kop, mediterrane ondersoortheeft vage oogstreep en grijze mantelVlucht vrij zwak, met opvallend lange staart. Buiten broedseizoen meestal in groepjes, vaak samen met andere mezen. Heeft acrobatisch gedrag.
    Geluid. Hoog ’sisisi’, karakteristiek ’chirrup’.
    Voorkomen. Algemeen.
    Habitat. In loof- en gemengde bossen, parken, etc.
    Voedsel. Voornamelijk kleine ongewervelden; fourageert op twijgen. Komt vrijwel nooit op de grond.

    Gezien in de jaren:

    2005, 2006