Vogels in de tuin – deel 1

  1. Spreeuw – Sturnus vulgaris

    SpreeuwBeschrijving

    Veldkenmerken. 22 cm. Bekende vogel met lange snavel, compact lichaam, korte staarten driehoekige vleugels, hetgeen een gedrongen uiterlijk geeft. Komt vooral in groepen voor, die ’als één man’ acrobatische toeren uitvoeren. Vlucht karakteristiek: snel en rechtlijnig, schiet soms door met gesloten vleugels, of maakt glijvlucht. Stapt stoer en doelgericht, maakt parmantige, actieve indruk. Adult in broedkleed heeft vrijwel zwartverenkleed met sterke paarse en groene weerschijn. Bovendelen met witte spikkels, bij vrouwtje meer dan bij mannetje. Snavel geel, bij mannetje met blauwe basis, potenroodachtig. Adult buiten broedtijd is zwaarder gespikkeld, heeft bruine poten en donkere snavel. Juveniel grijsbruin met witte keel.
    Geluid. Meestal luidruchtig, met name op gezamenlijke roestplaats. Uitstekende imitator: doet niet alleen vogels na, maar ook bijvoorbeeld boerderij- en verkeersgeluiden. Meest gehoorde geluid is raspend ’tsjierrr’ en helder, dalend ’pieieoe’.
    Voorkomen. Talrijk in geheel Europa, behalve in Spanje en Portugal, waar zijn plaats wordt ingenomen door Zwarte Spreeuw. Noordelijke populaties trekkenzuid(west)waarts in de winter; komt dan wel samen voor met Zwarte Spreeuw.
    Habitat. Meestal nabij menselijke bebouwing en nabij vee. Heeft geen speciale habitatvoorkeur, maar prefereert korte graslanden met nabijgelegen bomen en huizen met nestholtes. Komt in broedseizoen ook in bos voor.
    VoedselOmnivoor, maar heeft gedurende broedseizoen sterke voorkeur voor insecten.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016

  2. Koolmees – Parus major

    BeschrijvingKoolmees

    Veldkenmerken. 14 cm. Grootste algemene mees. Kop zwart met witte wangen, bovendelen groen, onderdelen geel met brede zwarte streep van keel tot oponderstaartdekverenvleugels groenblauw met witte vleugelstreep en witte punten aan tertialsstaart zwartblauw met witte buitenste pennen, stevige zwarte snavel. Kleine gelige vlek in nek doet aan Zwarte Mees denken, maar bij deze is de vlek veel groter en witter. Mannetje heeftbredere zwarte band over buik dan vrouwtje; juvenielals adult maar doffer. Fourageert veel op de grond en in lagere delen van bomen en struiken. Broedt veel in nestkasten in nabijheid van mensen.
    Geluid. Zeer variabel. Roep onder andere ’wiet’, tsjurrr’, ’pink’ (als Vink), ’tietja’, etc.Zang herhaald ’tie tie tèè’ en variaties hierop.
    Voorkomen. Talrijk. Standvogel, maar noordelijke populaties trekken zuidwaarts in de winter.
    Habitat. Diverse bossige en halfopen gebieden, zoals loof- en gemengde bossen, parken, tuinen, etc. Op trek ook in geïsoleerde bosjes, zoals Pimpelmees.
    VoedselOngewervelden, vruchten en zaden.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017

  3. Pimpelmees – Parus caeruleus

    paruscaeBeschrijving

    Veldkenmerken. 11,5 cm. Opvallendste kleuren blauw en geel. Kleine beweeglijke mees. Kruinvleugels en staart blauw, oorstreek wit, bovendelen groen en onderdelen geel. Zwarte omlijning van blauw en wit op kop geven kenmerkende uitdrukking. Zwarte lengtestreep over buik, maar minder duidelijk dan bij Koolmees. Juvenielen in zomer en vroege najaar zijn vager gekleurd, met blauwe delen van adulten groeniger en geel vager. Buiten broedseizoen vaak samen met andere mezen. Vaak in steden en dorpen, waar vooralin nestkasten wordt gebroed.
    Geluid. Veel variatie. Kenmerkende zang helder ’tsie tsie tsie tirrrr’. Roep ’tsie’, ’sisisi’ en hardere roepen die op die van Koolmees lijken.
    Voorkomen. Algemeen. Hoofdzakelijk standvogel, maar noordelijke populaties trekken.
    Habitat. Veel in parken en tuinen. Natuurlijke habitat is gemengd en loofbos, minder algemeen in naaldbos. Buiten broedseizoen en op trek vaak in laag struikgewas, heggen, geïsoleerde bosjes, etc.
    Voedsel. Voornamelijk ongewervelden, maar eet ook vruchten en zaden, vooral in de winter. Fourageert meer op de grond dan andere mezen, maar minder dan Koolmees.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017

  4. Merel – Turdus merula

    BeschrijvingMerel

    Veldkenmerken. 25 cm. Mannetje eenvoudig herkenbaar aan geheel zwarteverenkleed met gele of oranje snavel en oogring. Vrouwtje meer variabel, donker aardbruin, met lichte keel en warmbruine of rossigbruine borst en buik, onduidelijk zwart gevlekt en gestreept. Lange afgeronde staartvleugels ronder dan van andere lijsters. Juveniel lijkt op adult vrouwtje, maar is meer oranjebruin en zwaarder gevlekt en gestreept, met, ook op de bovendelen, lichtgele vlekjes. Meestal alleen of in paren, maar soms op trek in kleine groepjes. Zingt van geëxponeerde zangpost, zoals dak, antenne of boomtop.
    Geluid. Verschillende roepen, zoals ’pink pink’, ’tjsoek tsjoek’, dun ’tsrie’ en luide ratel.Zang gevarieerd met melodieuze fluitende tonen, niet herhalend zoals Zanglijster dat doet.
    Voorkomen. Zeer algemeen.
    Habitat. Diverse habitats voor, zolang er voldoende dekking aanwezig is in vorm van goed bebladerde bomen en dicht struikgewas. Komt voor in open loofbos, parken, groene voorsteden, maar ook hoger in de bergen en in afgelegen gebieden. In dergelijke gebieden zijn de dichthedenlager.
    VoedselOngewervelden, waaronder veel regenwormen, en vruchten.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017
    In april 2002 en 2003 nesten in de heg in onze tuin. Resultaat onbekend.

  5. Roodborst – Erithacus rubecula

    RoodborstBeschrijving

    Veldkenmerken. 14 cm. Gemakkelijk te herkennen aan aardbruine bovendelen, witte buik en onderstaart, en oranje gezicht en borst die van bovendelen gescheiden zijn door grijze bandOog groot en donker, opvallend in egaal oranje gezicht. Geslachten gelijk. Juveniel met oranjegele vlekken, als een juveniele lijster of Nachtegaal. Opgerichte houding. Doorgaans niet schuw en makkelijk te benaderen. In de zomer wordt territorium verdedigd door paar, in de winter hebben individuele vogels een voedselterritorium, dat met grote agressie wordt verdedigd. In de winter wordt aanwezigheid van territorium aangegeven door luide zang, ook door vrouwtje.
    Geluid. Roep metalig ’tik tik’, soms kort ratelend. Zang wordt gehele jaar gehoord, luid, melodieus en parelend, vanaf verheven zangpost, maar vogel zit zelden geheel open.
    Voorkomen. Algemene standvogel, maar in noorden en oosten zomergast.
    Habitat. Vochtige loofbossen met ondergroei. Vermijdt dicht bosdroog naaldbos en open gebieden als velden, woestijnen, etc. Op trek ook in geïsoleerde bosjes en heggen in open gebieden.
    VoedselOngewerveldenzaden en vruchten. Fourageert voornamelijk op de grond, pikt hierbij ook onstuimig in de grond om ondergrondse prooi op te sporen. Jaagt soms vanaf lage uitkijkpost.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017

  6. Kauw – Corvus monedula

    BeschrijvingKauw

    Veldkenmerken. 32 cm. Een bekende, levendige vogel. Komt vaak in grote aantallenvoor, samen met Spreeuwen en Roeken. Loopt, in tegenstelling tot meeste andere kraaien, snel en schokkend; vlucht licht met snelle vleugelslagen. Groepen vertonen vaak acrobatische toeren in de lucht. Makkelijk te onderscheiden van andere kraaien door klein formaat, brutaal gedrag, korte en lichte snavel, kenmerkend geluid enverenkleed. Achterhoofd en oorstreek grijs, onderdelen donkergrijs, oog bleekgrijs, overige delen zwart. Juveniel bruiner, maar andere kenmerken maken verwarring onwaarschijnlijk.
    Geluid. Gewone roepen karakteristiek: een kort en hoog ’tsjak’ (bij opwinding snel herhaald), en een kort ’kjow’; in broedtijd verschillende andere geluiden. Een nogal lawaaiïge vogel.
    Voorkomen. Algemeen in geheel Europa. Zuidelijke populaties standvogel, noordelijketrekken ’s winters zuidwaarts.
    Habitat. Meestal in open bosgebieden en parken, ook bij oude gebouwen en klippen aan zee en in het binnenland. Zoekt vaak voedsel op landbouwgronden. Bouwt nest in holten in bomen, rotsen, gebouwen, en zelfs in konijnenholen. Vaak in grote groepen.
    Voedsel.Voornamelijk kleine gewervelde en ongewervelde dieren. Ook wel plantaardig voedsel, zoals gewassen, granen, vruchten en bessen.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017

  7. Winterkoning – Troglodytes troglodytes

    troglodyBeschrijving

    Veldkenmerken. 9 cm. Een kleine, compacte en onopvallende vogel, die makkelijk herkenbaar is aan luide zang en rechtopstaande korte staart. Zeer actief en levendig. Blijft doorgaans dicht bij de grond, hoewel hij goed kan vliegenVlucht met zoemendevleugelslag. Zang is dermate luid dat het moeilijk voor te stellen is dat het van zo’n klein vogeltje afkomstig is. Lijkt op afstand egaal bruin; gehele verenkleed is echter fijn dwars gebandeerd; bovendelen rossigbruin, onderdelen beigebruin, crèmekleurigewenkbrauwstreep en keel, witte vlekjes op handpennen en aan punten vanvleugeldekveren.
    Geluid. Zang serie luid vloeiend gebabbel, schetterend, met veel trillers; wordt gehele jaar door gehoord, maar vooral in voorjaar. Roep luide ratel ’trrrrrrr’.
    Voorkomen. In gematigde streken zeer algemene standvogel, in noordelijke streken minder algemeen en trekvogel.
    Habitat. Geen duidelijke habitatvoorkeur, maar vraagt veel dichte ondergroei, zoals dichte heggen, braamstruiken, en dergelijke.
    Voedsel. Vooral insecten en spinnen, maar af en toe ook vruchten en zaden.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2010, 2011, 2014, 2015, 2016, 2017
    In mei 2003 nesten in het nestkastje aan ons tuinhuis. Resultaat onbekend.

  8. Kraai – Corvus corone corone

    Beschrijvingcorvusc3

    Veldkenmerken. 46 cm. Verenkleed geheel zwart, hetgeen het enige verschil is metBonte Kraai. Te onderscheiden van veel grotere Raaf door geluid, rechte staart en gladde keel, en van juveniele Roek door zwaardere, minder puntige snavel en ontbreken van ’broek’. Gewoonlijk alleen of in paren, behalve op slaapplaats. Opent hard voedsel (bijvoorbeeld krabben of noten) door het van enige hoogte naar beneden te laten vallen.
    Geluid. Gewone roep een krassend ’kraah’; soms een zacht ’gonk’. Ook andere geluiden, meestal afleidingen van gewone roep.
    Voorkomen. Algemene standvogel; verspreiding overlapt met Bonte Kraai en hybridizeert dan met deze.
    Habitat. Zeer gevarieerd, komt bijna overal voor, behalve in zeer dicht bos of extreem droge gebieden. Prefereert gewoonlijk open terrein. Indien niet te vaak verstoord ook in stedelijke gebieden. Nestelt in hoge bomen, soms ook op randen van klippen.
    Voedsel. Zoals alle kraaien zeer gevarieerd. Allerlei soorten kleine dieren, vruchten enzadenaas.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2008, 2010, 2011, 2012, 2013, 2015, 2016, 2017

  9. Ekster – Pica pica

    picapicaBeschrijving

    Veldkenmerken. 46 cm. Gemakkelijk herkenbaar door contrasterend zwart en witverenkleed en lange staart, die de helft van lichaamslengte uitmaakt. Staart van mannetje langer dan van vrouwtje. Flanken, buik en schouders puur wit; rest van verenkleed, snavel en poten zwart. Staart- en vleugelveren met opvallende metaalachtige glans, vooral in zonlicht. Juveniel lijkt sterk op adult, maar heeft kortere staart. Houdt van kleurige en glimmende voorwerpen, welke naar het nest gebracht worden. Meestal in paren, maar buiten de broedtijd vaak op gemeenschappelijke slaapplaatsen.
    Geluid.Meest gehoorde roep is een luid, ratelend ’tsjak-tsjak-tsjak’.
    Voorkomen. Algemene standvogel.
    Habitat. Nestelt in hoge bomen, maar ook in doornige struiken; heeft voorkeur voor open gebieden, boerenland en bosranden; plaatselijk algemeen in steden.
    VoedselOmnivoor: eet alle soorten plantaardig en dierlijk voedsel, zoals vruchten, bessen, ongewervelde dieren, eierenaas, afval, kleine zoogdieren en jonge vogels. Fourageert voornamelijk op de grond.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017

  10. Vink – Fringilla coelebs

    BeschrijvingVink

    Veldkenmerken. 15 cm. Beide sexen te onderscheiden van andere vinken door witte buitenste staartpennen, witte kleine dekveren en dubbele witte vleugelstreep op binnenvleugel. Mannetje met blauwgrijze kop met rossig bruine kopzijden, warm roodbruine mantel en rug, olijfgroene stuit, zwarte staart en vleugels en rossig bruine onderdelen. Vrouwtje voornamelijk grijsbruin. Snavel sterk en puntig. Kopveren soms iets opgezet, als kleine kuif. Schuifelende gang. ’s Winters in groepen, vaak samen metKeep, andere vinken, gorzen en leeuweriken.
    Geluid. Roep een helder ’pink’, in vlucht ’juup’. Zang luid en aflopend in toonhoogte.
    Voorkomen. Gehele jaar zeer algemeen. In Noord-Scandinavië zomergast. In West-Europa sterke trek in herfst.
    Habitat. Broedt in loof- en naaldbos, boomgaarden, parken, tuinen. ’s Winters ook in open landschap en soms in grote troepen op akkers, in duinen en langs wegen.
    Voedsel. ’s Zomers ongewervelde dieren en zaden. ’s Winters voornamelijk zaden en vruchten.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017

  11. Heggemus – Prunella modularis

    HeggemusBeschrijving

    Veldkenmerken. 14,5 cm. Een onopvallende grijsbruine vogel. Bovendelen donkerbruin met lange zwarte strepen, flanken donkerbruin gestreeptKop, nek, keelborst en bovenbuik grijs, middenbuik grijswit. Heeft twee onopvallende vleugelstrepen. Geen wit in staart. Dunne zwarte snavel onderscheidt hem van gorzen, mussen, etc. Een donkere vogel die zich schuifelend, bijna muisachtig, onder struiken beweegt. Zingt vanuit een struiktop. Altijd alleen of in familiegroepjes, nooit in groepen.
    Geluid. Roep een luid ’siiii’ en een meer vibrerend’sisisisi’. Simpele zang lijkt enigszins op Winterkoning, maar minder fanatiek en zonder trillers.
    Voorkomen. Zeer algemene standvogel.
    Habitat. Bewoont allerlei soorten begroeide gebieden, van gemengde en loofbossen tot moerassen met lage struiken, randen van bergbossen en stadstuinen.
    Voedsel. Voornamelijk insecten maar ook wel zaden. Zoekt voedsel op de grond of in lage struiken.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017

  12. Turkse tortel – Streptopelia decaocto

    BeschrijvingTurkse_tortel

    Veldkenmerken. 32 cm. Verschilt van Tortelduif door iets groter formaat, smalle zwartehalsband aan achterzijde van nek en andere kleur. Bovendelen egaal bleek grauw- tot grijsbruin; in vlucht blauwgrijze schouders; kop en onderdelen lichter en grijzer, met enigszins roze tint, men name op borstStaart met wit op buitenste staartpennen. Van onder af gezien, zowel in zit als in vlucht, kenmerkend patroon op staart van brede witte achterrand en donkere basale helft. Ogen rood.
    Geluid. Gezang een diep drielettergrepig ’koe-koe-koeoe’, met klemtoon op tweede lettergreep. In vlucht een merkwaardig nasaal geluid.
    Voorkomen. Heeft spontaan het gebied sinds 1940 gekoloniseerd. Komt sinds kort ook in Spanje voor. Tegenwoordig overal algemene broedvogel.
    Habitat. Open bosgebieden en parken, meestal nabij menselijke nederzettingen. Ook in steden.
    Voedsel. Voornamelijk zaden en groene planten. Ook af en toe ongewervelden.

    Gezien in de jaren:

    2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017